Tentoonstellen met Luk Van Soom

Dit voorjaar waren we te gast bij kunstenaar Luk van Soom. Naar aanleiding van dit fijne atelierbezoek waarin de kunstenaar o.m. zijn parcours toelichtte,  gaan we in dit interview wat dieper in op één specifiek onderwerp: zijn visie over en aanpak rond tentoonstellen.

Luk, je exposeerde al snel nadat je afstudeerde. Hoe is dat gegaan?

Mijn eerste tentoonstelling had ik bij de vooraanstaande galerie 121 in Antwerpen. Zij zochten jonge kunstenaars. Op aanraden van een bevriend kunstenaar kwamen ze op atelierbezoek toen ik nog studeerde aan het Hoger instituut in Antwerpen. Een jaar later had ik mijn eerste solo-expo te pakken. Dat gaf al snel wind in de zeilen.

Wat is het verschil tussen je eerste en laatste tentoonstelling? Wat zou je anders doen?

Eigenlijk is er niet veel veranderd aan mijn aanpak om ruimten in te palmen. In principe maak je gewoon een nieuwe compositie, maar dan met je werken. Het komt neer op aanvoelen hoe je de ruimte met je werk kunt laten communiceren. Je moet vertrouwen op het ‘gulden snede’-gevoel dat iedere kunstenaar bezit.

Welke vorm van tentoonstellen geniet jouw voorkeur (solo-, duo-, groepsexpo) en waarom? Wat zijn de voor- en nadelen?

Ik geef zelf de voorkeur aan een solo-expo waar ik twee jaar naartoe kan werken, zodat ik echt kan duidelijk maken wat mijn drijfveren zijn. Een duo-expo met een collega waarmee het goed klikt is ook boeiend, maar dan liefst met een schilder, zodat er geen vormenconcurrentie ontstaat. Als beeldhouwer ben je toch meest geïnteresseerd in de open ruimte. Maar alles hangt af van hoeveel ruimte er beschikbaar is, want galerieruimtes zijn meestal nogal bescheiden. Een groepsexpo is dan weer interessant omdat er meestal een thema aan verbonden is. Het is boeiend om te zien hoe je collega’s rond hetzelfde thema nadenken en verbeelden. Nog een voordeel is dat dat soort expo’s een breder publiek trekt. Dat is dan weer goed voor de verspreiding van je werk.

Wat was de meest uitdagende ruimte waar je exposeerde? Hoe heb je dat aangepakt?

Dat was een kerk in Nederland. Over een uitdaging gesproken. Wat er al aanwezig was, kon ik niet verdoezelen, ik moest ermee omgaan. Ik had bestaande werken meegenomen en heb er ook ter plekke gemaakt. Zo maakte ik verschillende eilanden van grote grindvelden, op deze geïsoleerde gebieden kon ik met de beelden installaties creëren. Dat werkte wel goed.

Hoe bereid je je voor op een tentoonstelling? Hoe selecteer je jouw werk?

Ik neem altijd te veel werk mee. De selectie gebeurt intuïtief en ter plaatse. Meestal wil je vooral de meest recentste werken tonen, omdat je denkt dat die beter zijn dan de voorgaande, maar ik neem ook altijd mooie oudere werken mee. Er zijn kunstenaars die maquettes van exporuimtes maken, met daarin kleine maquettes van hun werken. Maar dan neem je de uitdaging en spontaniteit weg, en dat is juist het interessantste.

Krijg je bij het opstellen van je tentoonstellingen hulp?

Als ik aankom en de werken uitlaad, verspreid ik ze meestal zonder veel nadenken in de ruimte. Zo ontstaat er al iets onbelemmerds. Soms is het daarna mits een beetje schuiven al goed. Soms loopt het ook in de soep en blijf je verhangen en schuiven. Je wordt te moe en je scherpte ebt weg. Best dan de dag erna met een fris hoofd er weer aan beginnen. Meestal heb ik wel iemand bij – mijn vaste hulp of een goede stagiaire. Het gebeurt ook dat ik deze hulp de expo in zijn geheel laat inrichten, om zelf te leren van hoe iemand anders met mijn werk omgaat en nieuwe verbanden legt. Het is goed om je eigen comfortzone te verlaten. Niets is zo erg als met oogkleppen rondlopen. Ook in je atelier moet je die voortdurend kunnen afzetten.

Tijdens het atelierbezoek in februari vertelde je dat je het liefste bezig bent in je atelier en je het netwerken wat aan je voorbij laat gaan (naar openingen van expo’s gaan e.d.) Op welke manier leg je dan contact? Hoe bereiken klanten, curatoren of galeries jou?

Onbelemmerd in een atelier werken, vind ik het fijnste wat er is. Ik hou van het creëren, het technische aspect, het ambacht. Zien en voelen hoeveel passie je in iets kan steken, hoe het onder je handen tevoorschijn komt, hoe je alle materialen kunt omvormen naar je eigen beeldtaal. Om te vertellen wat je wil vertellen …

Maar dat is maar 50 percent van het werk dat komt kijken bij succesvol kunstenaar zijn. Succesvol in die zin dat je van je werk kan leven en er ook weer in kan investeren. Om dat te kunnen, moet je ook netwerken, aanwezig zijn op openingen, events en zelf lezingen geven. Je moet ook over de nodige vlotheid beschikken om contacten te leggen. Eigenlijk zou je een plan moeten uitstippelen dat vertelt met wie het op elk moment in je carrière belangrijk is om in contact te komen, en dat ook uitvoeren. Ik ben zelf een kunstenaar die liever met zijn beeldtaal spreekt. Mijn woorden schieten tekort. Ik hou er niet van om zo strategisch te werken. Ik ga ervan uit dat mijn beelden hun werk wel zullen doen, maar dat is niet altijd zo, voor de curatoren hoort er bla bla bij. Gelukkig zit ik nu na veertig jaar non-stop werken en mijn beelden verspreiden, al vele jaren in een positie dat de liefhebbers mij weten te vinden. Daardoor kan ik vrijelijk verder werken. Daar ben ik dankbaar voor.

Je werkt niet samen met een galerij. Vanwaar die keuze?

Ik werk wel af en toe samen met galeries, maar op een vrijblijvende basis. Er wordt een afspraak gemaakt voor één expo, waarna enkele werken een half jaar bij hen in consignatie blijven, en daarna eindigt de deal. Ik maak in opdracht veel monumentale beelden voor de openbare ruimte en ben zo georganiseerd dat ik alles zelf aanneem en uitvoer. Dus heb ik hiervoor geen galerie nodig. Maar een goede galerie die je werk op de grote kunstbeurzen kan tonen, is wel degelijk interessant. Zo kunnen er veel deuren voor je opengaan. Het is een heel andere situatie als zij ervoor moeten zorgen dat je van je werk kan leven. Als er financiële interesse is en je werk goed verkoopt, dan ben je geliefd. Als dat niet zo is, verdwijn je weer op de achtergrond, en moet je zelf je plan zien te trekken.

Wat zijn je tentoonstellingsdromen nog?

Museale waardering voor mijn werk.

Bezoek je zelf dikwijls andere tentoonstellingen? Welke is je bijgebleven?

Het hedendaagse galeriewezen volg ik vanop afstand. Italië en vooral de barok genieten al vele jaren mijn voorkeur. Het liefst ga ik naar grote musea overal ter wereld en bewonder de grote meesters van de beeldhouw- en schilderkunst. Maar evengoed stap ik binnen in een industrieel-, auto- of ruimtevaartmuseum. Zolang er maar dingen te zien zijn waarover ik mij kan verwonderen. Momenteel ben ik zwaar geïnteresseerd in het werk van ‘Der Brüder Asam’: schilder en architect Cosmas en beeldhouwer en architect Egid. Samen met mijn vrouw heb ik al een mooi stuk van Beieren gezien, zwervend langs hun kerken en abdijen. Ik zal nooit vergeten hoe we met de boot over de Donau van Kelheimwizer naar Weltenburg voeren, en na een bocht het klooster zagen verrijzen dat ze samen gebouwd hebben. Binnen in de kerk komen architectuur, stucwerk, schilderkunst, beeldhouwkunst en de licht- en ruimtewerking op een verbluffende manier samen. Je wordt er omarmd en krijgt er het gevoel dat je opgeslokt werd door ‘s werelds grootste walvis. Zalig.